Als publieke instantie is de Psychologencommissie verantwoordelijk voor de titelbescherming en de deontologie voor alle psychologen in Belgiê. Zo organiseert ze ook de tuchtinstanties. De werking van de Psychologencommissie wordt hoofdzakelijk bepaald door de wet van 1993 ter bescherming van de titel van de psycholoog. De Pychologencommissie valt onder het toezicht van de minister van Middenstand, momenteel David Clarinval.
In 2015 werd de klinisch psycholoog, door de wet De Block, gedefinieerd als een gezondheidszorgberoep, wat meteen een scheiding teweeg bracht tussen de klinisch psychologen en de andere psychologen. Sindsdien had immers ook het Ministerie van Volksgezondheid een en ander te zeggen over de klinisch psycholoog, met name door het verstrekken van een visum – nodig om de klinische psychologie te beoefenen. Bovendien stond de klinisch psycholoog, net als alle andere WUG-beroepen, vanaf nu onder toezicht van de Provinciale geneeskundige commissies. In 2019 volgde de Kwaliteitswet, met opnieuw gevolgen voor enkel de klinisch psycholoog als WUG-beroepsbeoefenaar. De Kwaliteitswet vereist de organisatie van een Federale Toezichtcommissie, met bevoegdheden die veel verder gaan dan die van de Provinciale geneeskundige commissies.
Tijdens de afgelopen jaren kwam er regelmatig discussie over de verhouding tussen die verschillende organen. We herinneren ons de discussie over de inschrijving van de klinisch psycholoog bij de Psychologencommissie, wat volgens Maggie De Block niet meer nodig was. De Block moest op haar stappen terugkeren.
Deze discussie weerspiegelde zich in de verhouding tussen de verschillende psychologenverenigingen. Sommige verenigingen streefden ernaar de klinisch psycholoog volledig in te schrijven als gezondheidszorgberoep, anderen – waaronder UPPsy-BUPsy – wilden voorkomen dat het beroep van klinisch psycholoog volledig zou gemedicaliseerd worden en gaven voorrang aan wat psychologen onderling verenigt. Argumenten voor onze positie kunnen nagelezen worden in een schrijven dat we richtten aan de beide bevoegde ministeries, in januari 2021.
Vorig jaar stelde zich dan weer de vraag naar de verhouding tussen de Federale Toezichtcommissie en de Psychologencommissie, wat betreft deontologische zaken. Overleg tussen beide kabinetten over deze kwesties bleek zeer moeilijk, vooral om het ministerie van Volksgezondheid het een uitgeklaarde zaak vond dat de klinisch psycholoog enkel onder haar bevoegdheid diende te vallen.
Voor de psychologen èn voor hun cliënten blijkt dit een onoverzichtelijk kluwen te zijn geworden. Elk jaar opnieuw stelt zich bij vele psychologen de vraag of het lidmaatschap bij Compsy moet hernieuwd worden, wat het verschil is met het visum enzovoort. Voor cliënten wordt het zeer moeilijk te weten bij welke instanties ze terecht kunnen. Afstemming is dus een duidelijke noodzaak. Bovendien kwam ook intern, vanuit de Psychologencommissie, het verlangen om een aantal zaken te hervormen, om een meer transparante en democratische werking te garanderen.
Voor de beroepsverenigingen bleken de plannen om Compsy te hervormen een positieve ervaring van samenwerking, waarbij de meningsverschillen konden worden opgelost. Niet zo echter op het niveau van de betrokken ministeries.
Op 19 januari 2024 keurde de ministerraad een eerste lezing goed voor een wetsontwerp dat door minister Clarinval werd ingediend, ter hervorming van de Psychologencommissie, Het wetsontwerp had als doel .de opdracht en de organisatie van de Psychologencommissie te verduidelijken. Bovendien zou er ook een rechtstreekse verkiezing komen van afgevaardigden in de verschillende organen, ter vervanging van de representatie via beroepsverenigingen, zoals dat nu gebeurt. Het wetsontwerp werd ter advies voorgelegd aan de Raad van State. De minister vroeg ook advies aan het Ministerie van Volksgezondheid en aan het Riziv.
Er kwam een weinig constructief antwoord van het Riziv, met vooral de volgende argumenten :
– Bij het kaderen van de klinisch psycholoog als gezondheidszorgberoep, in 2015, werd bewust ervoor gekozen om de titelbescherming van de psycholoog niet op te nemen in de wet. Volgens het Riziv kan de klinisch psycholoog ook daarzonder de klinische psychologie beoefenen. We horen hier terug het standpunt van Minister De Block, waarbij men voorbijgaat aan de bescherming van de deontologie door de Psychologencommissie. Een deontologie die afgestemd is op het beroep van de psycholoog en niet op een medisch beroep.
– Het Riziv argumenteert dat de niet klinisch psycholoog werkt met cliënten ; de klinisch psycholoog werkt met patiënten. Opnieuw een medicalisering van ons beroep.
– De enige competente autoriteit om informatie en juridische beveiliging te verstrekken voor het beroep van de klinisch psycholoog, is het Ministerie van Volksgezondheid.
– Het bewaken van de deontologie van de klinisch psycholoog is, volgens het RIZIV, opnieuw een bevoegdheid van het Ministerie van Volksgezondheid, en wordt verzekerd door de Federale Toezichtcommissie – een multidisciplinair orgaan. Als Compsy nog iets te zeggen heeft inzake deontologie, zal dat gaan over psychologen die werken met cliënten.
Het zal duidelijk zijn dat het Riziv in feite een totaal uithollen beoogt van onze deontologie en van de Psychologencommssie als instantie die de cliënten en psychologen hierin bijstaat.
De Psychologencommissie beraadt zich, samen met het kabinet Clarinval, over een antwoord.
